Beroepsprofiel:
Gemeenschappelijke
analyse Handelswetenschappen
voor HHA,
EHSAL, VLEKHO, Hogeschool Gent
Handelswetenschappen
vanuit twee benaderingen:
°
kenmerken specifiek voor bedrijfseconomische functies (vette letters)
°
tendensen relevant voor bedrijfseconomische beroepencluster:
* ontwikkelingen in het bedrijf (cursief)
* algemeen maatschappelijke tendensen (gewone
letters)
ONDERNEMEN
-toepassing van het economisch principe ‘hoe
door het inzetten van alternatief aanwendbare middelen een maximaal resultaat
bereiken’
-functionele autonomie
-ondernemingsgeest
PROBLEEMOPLOSSEN
-organiseren, plannen en controleren
-strategisch, handelen
ONDERZOEKEN
-organiseren, plannen en controleren
-strategisch, handelen
COMMUNICEREN
-organiseren, plannen en controleren
-strategisch, handelen
-communicatievaardigheid
-klantgerichtheid
REFLECTEREN
-ethisch
handelen
-milieubewustzijn
INHOUDELIJKE DESKUNDIGHEDEN
-multi-dimensionaliteit: basiskennis
en -vaardigheden op diverse domeinen
-internationaal
werken
-inzicht
in informatietechnologie
-inzicht in kwaliteitzorgsystemen
OVERKOEPELEND
-leren leren (context lerende
organisatie)
Bij de tekst “Beroepsprofielen” zouden we
nog volgende opmerkingen willen formuleren;
In sommige onderdelen worden referenties opgenomen, in
andere niet. Misschien gewoon consistent geen referenties opnemen?
Volgens ons waren 2 referenties trouwens incorrect (cf pag 16 en pag 17).
Een afsluitende samenvatting van de tekst
(bv in schemavorm) zou handig zijn.
De overige suggesties en kleine
correcties (o.m. m.b.t. typfouten) hebben we in de tekst aangeduid in vet
cursief .
|
Beroepsprofiel
Handelswetenschappen
|
1. Een zeer
breed en heterogeen beroepenveld
De vier
hogescholen die de opleiding handelswetenschappen aanbieden, gingen na in welke beroepen hun
afgestudeerden terecht komen. Daarbij stelden zij het volgende vast :
- het gaat om een zeer brede waaier aan functies;
- de functies
vernieuwen zich om de drie à vijf jaar, zodanig dat er telkens sprake is van een
nieuw takenpakket, van jobrotatie naar tijd, functie en plaats;
- naar
bevoegdheden en verantwoordelijkheden is er over de loop van een carrière
sprake van uitbreiding en verruiming, gaande van het niveau kaderlid over
middenkader tot directie;
- gelijknamige
functies worden sterk verschillend ingevuld in verschillende types organisaties
: kleine bedrijven, grotere bedrijven, overheidsorganisaties,...
Het voorgaande
betekent dat een traditionele benadering - via een beschrijving van de
functie-inhouden komen tot een beroepsprofiel en van daar naar een
opleidingsprofiel - voor de opleiding handelswetenschappen onmogelijk is. Er
wordt immers niet opgeleid voor een beroep, maar voor een brede waaier aan
beroepsmogelijkheden. Er moet dus een alternatieve weg gezocht worden naar de
vastlegging van een opleidingsprofiel.
Gegeven de
moeilijkheid om de beroepen die licentiaten handelswetenschappen uitoefenen te
specifiëren, zullen wij in het vervolg van de tekst de termen
bedrijfseconomist, bedrijfseconomische beroepencluster en varianten daarop
gebruiken. De bedoeling is om daarmee een duidelijk onderscheid te maken tussen
de licentiaat handelswetenschappen als eindproduct van een opleiding
enerzijds en de functies die de licentiaat in zijn carrière uitoefent anderzijds.
De alternatieve
weg om een opleidingsprofiel te ontwerpen zonder langs een echt beroepenprofiel
te werken, bestaat erin te pogen om te komen tot een pakket kenmerken dat specifiek is voor de bedrijfseconomische functies.
Deze kenmerken komen aan bod in paragraaf 2 en worden in paragraaf 3 aangevuld
met een aantal tendenzen die bijzonder relevant zijn voor de
bedrijfseconomische beroepencluster.
2. De specifieke kenmerken van de bedrijfseconomische
beroepencluster
In wat volgt
wordt ingegaan op een aantal kenmerken die in het verleden, het heden en de
toekomst de bedrijfseconomische functies karakteriseren. Deze kenmerken
moeten geïntegreerd bekeken worden. Het is het amalgaam van kenmerken dat
uiteindelijk het unieke, het specifieke van de bedrijfseconomische functie
uitmaakt.
De input voor
deze poging komt uit een diagonale analyse van de functie-inhouden, rekening
houdend met de rijkdom aan aanwezige beroepen; deze analyse brengt ons op het
spoor van de comparatieve voordelen van de bedrijfseconomist op de
arbeidsmarkt; ze bezitten een eerder permanent karakter.
2.1. De concrete
toepassing van het economisch principe
Bedrijfseconomische
functies houden steeds een keuzeproces in om met alternatief aanwendbare
middelen (arbeid, kapitaal en human capital of know how) te zorgen voor
een optimale verwezenlijking van de vooropgestelde doelstellingen
(klantgerichtheid, “new market approach”, productondersteuning en
-ontwikkeling, winstmaximalisatie, optimalisatie van het menselijk potentieel,…). Vermits zowel de doeleinden als de
aanwendbare middelen grillig en explosief kunnen wijzigen binnen een snel
evoluerende maatschappij, is een dynamische benadering van de gestelde
problematiek (“het economisch principe”) primordiaal. Het doel om binnen een bedrijfseconomische
eenheid steeds een efficiënt en effectief verband te vinden tussen enerzijds
input en anderzijds de te realiseren doelstelling, vervult dus een
sleutelfunctie in elke bedrijfseconomische beslissing.
Binnen
dit kader zijn nieuwe of bestaande oplossingen voor “klassieke” problemen
vanuit ondernemersstandpunt ontoereikend.
Het realiseren van een fundamenteel optimaal verband tussen input en
output vormt geen statisch maar een
continu dynamisch proces waarbij telkens opnieuw de bekomen “oplossing” in
vraag wordt gesteld (“de oplossing voor een probleem van morgen is vandaag
reeds achterhaald”). Dit proces is niet
alleen continu dynamisch maar beperkt
zich in tweede instantie niet naar
plaats, tijd en ruimte. Oplossingen
moeten niet steeds gezocht worden binnen het gekende “instrumentarium” maar het
economisch principe behelst tevens innovativiteit om alternatieve
methoden aan te wenden.
Ondernemingen
zijn op zoek naar dynamisch personeel dat creativiteit en doorzettingsvermogen
weet te vertalen naar inventieve oplossingen en dynamisme. Dit uit in zich twee facetten : enerzijds
een “maniakale gedrevenheid” om het bestaande potentieel te optimaliseren en
anderzijds de kennis en moed om de implementatie van nieuwe (vooruitstrevende)
methoden, processen en technologieën door te voeren. De gedreven en gemotiveerde persoonlijkheid
vormt in deze eindeloze zoektocht naar nieuwe en betere methoden de
spilfiguur. Belangrijk hier is zijn/haar
“geloofwaardigheid” om nieuwe technieken aanvaardbaar en implementeerbaar te
maken : het toepassen van het
economisch principe uit zich in eerste instantie in de
geloofwaardigheid van het gevoerde beleid.
Deze
positieve benadering van het economisch principe manifesteert
zich in de diverse deelaspecten van de onderneming (verkoop, administratie,
HRM, …) waarbij de “concrete toepassing” varieert in functie van de specifieke
en ondernemerstechnische aspecten van de onderneming en afdeling. Het gestelde basisidee blijft steeds identiek
maar bedrijfseconomisten weten in steeds wijzigende omstandigheden het
economisch principe toe te passen.
De toepassingsgebieden binnen een onderneming zijn legio[1].
In een dienstenomgeving in brede zin, dus zowel
ondernemingen die diensten aanbieden als eindproduct, als de dienstenverlenende
activiteiten binnen een onderneming, vindt het economisch principe zijn
concrete toepassing in de vraagstelling hoe op de meest efficiënte wijze de
klanttevredenheid kan worden gerealiseerd. Bedrijfseconomisten onderwerpen deze
vraagstelling aan een continue analyse en trachten dit te vertalen naar
concrete toepassingen in de bedrijfswereld.
Ze perfectioneren permanent hun vorming (dynamische beroepsopleiding) en
plaatsen de menselijke benadering (“menselijke factor”) binnen deze problematiek
centraal.
Binnen de productieafdeling behelst het economisch principe de
gedrevenheid om het productiesysteem te perfectioneren. De frequent verkeerd gehanteerde opvatting
bestaat erin dat dit enkel te realiseren is door het productieproces drastisch
om te gooien. De toepassing van het economisch
principe uit zich tevens in de aandacht voor “details” die het
productieproces meer dan gemiddeld beïnvloeden. Bedrijfseconomisten kunnen door
hun uitgebreide en polyvalente vorming het productieproces optimaal inschatten
en aandacht besteden aan “bottlenecks” en potentiële verbeteringen.
Binnen de administratieafdeling omvat het economisch principe de
vraag hoe de beschikbare middelen optimaal kunnen aangewend worden om het doel
(administratie die bijdraagt tot een betere service naar de klanten toe) te
bereiken. Door ook hier te werken overeenkomstig het economisch principe,
kan kennis over de beschikbare informatica-toepassingen bijdragen tot een
optimale bedrijfsapproach.
Op het vlak van HRM manifesteert deze dynamiek zich door het
optimaal aanwenden van het menselijk potentieel om door middel van een positief
bedrijfsklimaat optimale werkomstandigheden te creëren. Het economisch principe is
in deze zin sterk verbonden met de multidimensionaliteit van de
onderneming.
In de commerciële zoektocht naar nieuwe buitenlandse
afzetmarkten en producten is de vraag hoe verkoop- en marketinginspanningen op
de meest efficiënte manier kunnen worden aangewend om nieuwe klanten (markten)
te bereiken.
Het
economisch principe of
‘hoe door het inzetten van alternatief aanwendbare middelen een maximaal
resultaat bereiken’, is sterk vertegenwoordigd in de onderneming en alle
echelons hiervan. Ondernemers zijn dan
ook op zoek naar creatieve dynamische persoonlijkheden die dit economisch principe steeds
weten toe te passen in concrete wijzigende situaties en ondernemingen hierdoor
toelaten in te spelen op
marktopportuniteiten.
2.2. Organisatie,
planning en controle
De
bedrijfseconomische beroepencluster wordt gekenmerkt door een grote
betrokkenheid bij de werking van organisaties in hun meest diverse
verschijningsvormen : de op winst gerichte ondernemingen en de
niet op winst gerichte instellingen,
{Beide vormen van ondernemingen zijn waardecreërend}
de productiebedrijven en de dienstverlenende
instellingen, de overheids- en de privé-bedrijven, de nationale en de
multinationale ondernemingen enz. Binnen
al deze organisaties werken mensen samen voor de realisatie van gemeenschappelijke
doelstellingen die zonder samenwerkingsverband onbereikbaar zouden blijven. De
bedrijfseconomist vervult hierbij vaak een sleutelrol, ondermeer als
organisator, als planner en als controller.
In
zijn hoedanigheid van organisator is de bedrijfseconomist
(mede-)verantwoordelijk voor het scheppen van een adequate organisatiestructuur
die bestaat uit :
(1) een duidelijke verdeling van de te verrichten
werkzaamheden over divisies, afdelingen, werkgroepen en functionarissen,
(2) de toewijzing van aangepaste bevoegdheden en
verantwoordelijkheden,
(3) de instelling van noodzakelijke communicatiekanalen en
coördinatiemechanismen.
Het
ontwerpen van een dergelijke organisatiestructuur is steeds tegelijkertijd een
vraagstuk van arbeidsverdeling of verbijzondering en van coördinatie. De oplossing
ervan is steeds situatie-afhankelijk.[2]
Actuele
ontwikkelingen in de managementpraktijk wijzen op de noodzaak van een zich
vernieuwende eigentijdse invulling van dit eerder klassieke
organisatiemodel. In de huidige
economische ruimte die wordt gekenmerkt
door een veralgemeende verschuiving in de marktverhoudingen van verkopers- naar
kopersmarkten, een ongemeen scherpe concurrentie en een sterke innovatiegolf,
beantwoorden de klassieke hiërarchische structuren, ondersteund door
gesofistikeerde managementsystemen niet langer aan de noden inzake
klantgerichtheid, snelheid, flexibiliteit.[3]
Top-managers
van succesvolle bedrijven zoeken in toenemende mate het antwoord op deze
problematiek door prioritair aandacht te besteden aan de horizontale kernprocessen
binnen de bedrijfsvoering over de grenzen van divisies en afdelingen heen, door het stimuleren van het intern
ondernemerschap op alle managementniveaus, door de systematische ontwikkeling
van de kerncompetenties binnen de organisatie, en door een pro-actief
innovatiebeleid. Centraal bij dit alles
is de creatie van een bedrijfscontext waarbinnen de medewerkers worden
aangemoedigd tot het nemen van initiatieven, tot samenwerking en tot leren.[4] Van de bedrijfseconomist wordt verwacht dat
hij deze ontwikkelingen op de voet volgt en vertaalt naar zijn concrete
bedrijfssituatie.
Als
planner en controller werkt de bedrijfseconomist ook mee aan het vitale
management-controleproces dat een effectieve en efficiënte realisatie van de
strategische opties van de organisatie beoogt.
De effectieve manager wordt dan de functionaris wiens acties op een
adequate manier aansluiten bij de doelstellingen van de organisatie. De efficiënte manager is diegene die de
hoogste output realiseert met een gegeven input of dezelfde output met een
geringere input.
Een
belangrijk deel van de controle door het management vindt plaats via informele
communicatie in verschillende vormen.
Naast dit informeel gebeuren hebben de organisaties nood aan een systeem
van formele managementcontrole met vier deelprocessen : de programmatie, de
budgettering, de rapportering en de remediëring. Managementcontrole moet hierbij in de eerste
plaats gezien worden als een positief proces dat door motivatie tracht de
mederwerkers te stimuleren tot de optimale realisatie van de doelstellingen van
de organisatie. Het meer repressief
karakter van controle, dat gericht is op het opsporen van onbewuste fouten en
bewuste onregelmatigheden, speelt hierbij een secundaire rol.[5] De bedrijfseconomist die
als lijn- of stafmedewerker vaak verantwoordelijkheid draagt in het
managementcontroleproces dient een gedegen inzicht te hebben in alle facetten
ervan, zowel de formele als de informele, de motivationele als de meer
repressieve.
Het
proces van managementcontrole heeft in een recent verleden onmiskenbaar een zeer prominente rol gespeeld
bij de uitbouw van vooraanstaande ondernemingen.
De huidige dynamiek van het
bedrijfsleven heeft ook op het domein van de managementcontrole ernstige
verschuivingen teweeg gebracht. Daar
waar de traditionele systemen van prestatie-opvolging louter gebruik maakten
van financieel-boekhoudkundige informatie, wordt vandaag de dag in sterke mate
de nood ervaren aan aanvullende operationele meetinstrumenten die de
klantententevredenheid, de werking van de interne processen en de vorderingen
bij innovatie- en vernieuwingsinspanningen in kaart brengen. Financiële resultaten zijn sterk gericht op
het meten van de historische prestatie van de organisatie. Door deze informatie aan te vullen met
operationele maatstaven wordt de aandacht van het management in toenemende mate
gericht op processen die de toekomstige financiële prestatie aansturen.[6] Operationele maatstaven hebben daarenboven de
grote verdienste om op een meer soepele manier dan via de traditionele
financieel-boekhoudkundige managementcontrole, de lange termijn strategie van
de onderneming te vertalen in concrete actieprogramma’s die op korte termijn
worden ingevoerd en waarvan de resultaten snel en eenduidig kunnen worden gemeten.[7] Ook hier wordt van de bedrijfseconomist
verwacht dat hij inzicht heeft in de nieuwste denkbeelden en ze, waar nodig,
implementeert binnen de eigen bedrijfsomgeving.
2.3.
Multi-dimensionaliteit
Bedrijfseconomische
problemen hebben doorgaans een multi-dimensionaal karakter. Voor de oplossing
wordt gebruik gemaakt van de basiskennis en -vaardigheden op diverse domeinen :
commercieel, financieel, productie- en logistiek beleid evenals HRM.
Daarenboven houdt de bedrijfseconomische functie de noodzakelijke conceptuele
inzichten in zich om de relaties tussen de diverse functionele
managementaspecten van het bedrijfsgebeuren te doorzien.
Het
procesgeoriënteerd denken concurreert met het multidimensionaal karakter van
het werk in de hedendaagse organisaties.
Mensen
en markten zijn volop in beweging. Om op
een meer adequate, meer efficiënte en meer klantgerichte wijze in deze
turbulente omgeving te kunnen opereren, worden strenge eisen gesteld aan
organisaties en medewerkers. Het bedrijfsleven stelt steeds hogere
verwachtingen t.o.v. afgestudeerden.
{De oorspronkelijke formulering kon ons inziens ook geïnterpreteerd worden als zou de kwaliteit van de opleiding dalen}
De
filosofie van het Human Resource Management als uitgangspunt helpt organisaties
het personeelsinstrumentarium verder te ontwikkelen, te harmoniseren en te
dynamiseren. Men streeft naar een
dynamische onderneming waarin een atmosfeer heerst waar zowel efficiency als
een ondernemersgeest kan gedijen in de departementen (intra-departementaal)
maar ook tussen de departementen onderling (inter-departementaal).
Naast
inzicht in de werking van een onderneming op micro-economisch vlak, heeft een
bedrijfseconomist ook oog voor de macro-economische dimensie. Hij kent de
industriële organisatie van de sector waarin zijn bedrijf zich situeert. Hij
volgt de evolutie van de macro-economische grootheden, van het
macro-economische overheidsbeleid,... en heeft inzicht in de implicaties ervan
voor ‘zijn’ sector.
2.4. Het
strategisch perspectief
Bedrijfseconomisten
overstijgen het niveau van de toepassing van wat bestaat. Zij moeten immers in staat zijn op nieuwe,
niet-geprogrammeerde situaties in te gaan en als zodanig bij te dragen tot de
strategie van de organisatie als totaliteit – ongeacht het organisatorisch
niveau waarop zij zelf opereren.
De bekwaamheid om
te reageren op nieuwe, strategische situaties is tweeledig: zij bestaat uit de
bekwaamheid om de strategische situatie te analyseren en de bekwaamheid om bij
te dragen tot de strategische reactie van de organisatie als totaliteit. De
bedrijfseconomist reageert niet als persoon, als enkeling, maar levert een
bijdrage aan de reactie van het bedrijf als geheel.
Het analyseren
van de strategische situatie
Iedere
organisatie kadert in een ruimere context zoals een economische omgeving, een
politieke omgeving, een sociale omgeving, een technologische omgeving enz., en
is mee bepaald door de overheid en internationale invloeden. Deze context beïnvloedt niet alleen wat de
organisatie doet, hij is zelfs de bestaansreden van de organisatie. Het vermogen om de nieuwe, strategisch
belangrijke situaties die zich in die bredere of meer dichtbijgelegen omgeving
voordoen te observeren, analyseren en evalueren behoort tot het profiel van de
bedrijfseconomist.
Hij is tevens in
staat de kansen en bedreigingen die hieruit voortkomen te onderkennen en
strategieën als antwoord hierop te ontwikkelen.
De kennis die daarvoor nodig is en de persoonlijke vaardigheden van
“observatie, analyse, zien van opportuniteiten en concipiëren van strategieën”
overstijgen ruimschoots het niveau van het kunnen toepassen van bestaande
kennispakketten.
De strategische
reactie van de organisatie als totaliteit
Geabsorbeerde
kennis moet verspreid worden doorheen de organisatie (diffusie), nieuwe kennis
moet worden gegenereerd en het geheel moet tot nut gemaakt worden van de
organisatie (geëxploiteerd). Dat alles
gebeurt in een organisatorisch verband, dus tussen en doorheen andere mensen die
als gevolg ervan tot commitment omtrent de strategie moeten komen. Kennis absorberen, verspreiden, genereren en
exploiteren zijn essentiële elementen van een lerende organisatie.
Tot het profiel
van de bedrijfseconomist horen dus: een hoog observatie- en leervermogen om
externe en interne impulsen te absorberen, goede communicatievaardigheden en
vaardigheden als mentor (bv. in het kader van de diffusie van kennis),
conceptuele en creatieve vaardigheden bij het genereren van nieuwe kennis en
strategieën, zakelijke en interpersoonlijke vaardigheden bij de exploitatie.
Dit gaat niet zonder de nodige besluitvormingsvaardigheden, visie, uitstraling
en overtuigingskracht, en het vermogen om goed te functioneren binnen de
interne politieke context van de organisatie waartoe men behoort.
2.5. De
functionele autonomie
Bedrijfseconomisten
worden zeer sterk betrokken bij het besluitvormingsproces van de organisatie.
Er is sprake van een belangrijke mate van functionele autonomie. De manier van
betrokkenheid kan evenwel verschillen.
Ofwel
doen ze dit vanuit een zogenaamde lijnfunctie
d.w.z. een functie die een directe verantwoordelijkheid draagt inzake het
gevoerde beleid of liever een deelaspect
ervan. Dit deelaspect kan zowel betrekking hebben op een specialistisch domein
(zie 2.3) zoals het commercieel beleid, het productiebeleid, enz., als op een
hiërarchische stap in de beleidsvorming zoals het corporate niveau, het
divisioneel niveau, het afdelingsniveau, enz.
De
directe verantwoordelijkheid - eigen aan een lijnfunctie - kent heel wat gezichten.
Concreet kan hierbij in hoofdzaak gedacht worden aan: het erkennen of
identificeren van een beleidsprobleem, het kiezen van dat actie-alternatief dat
het beste afrekent met het probleem in kwestie, het gekozen actie-alternatief
effectief implementeren wat o.a. betekent dat de nodige middelen dienen te
worden vrijgemaakt, gecoördineerd én opgevolgd. Uiteindelijk draagt de
lijnmanager de volledige verantwoordelijkheid van zijn/haar beslissing en kan
er zelfs gewag worden gemaakt van een beleids-aansprakelijkheid. Het spreekt
voor zich dat een dergelijke directe verantwoordelijkheid welbepaalde
kwalificaties vereist. Concreet gaat het hierbij om besluitvaardigheid,
risicobereidheid, leiderschap XXX- of ‘chef’-capaciteitenXXX-
zeker t.a.v. het ‘middel’ mensen/medewerkers - en de nodige zelfstandigheid .
Opdat bedrijfseconomisten deze kwalificaties ten volle zouden kunnen
ontwikkelen, voorziet de organisatie vaak in een aanzienlijke mate van functionele autonomie of bewegingsvrijheid.
De
betrokkenheid bij het besluitvormingsproces kan echter ook eerder indirect
zijn. Men spreekt in dit kader over zogenaamde staffuncties. Vaak zijn dit zeer
specialistische functies die de lijnmanagers bijstaan in het nemen van de
‘juiste’ beslissing. In dit opzicht zou er ook sprake kunnen zijn van
beleidsondersteunende functies of zelf interne ‘consultants’. Concreet kan hun
indirecte verantwoordelijkheid bestaan uit: het aanreiken van alternatieve
oplossingen voor het probleem in kwestie, het inschatten van de gevolgen van
elk alternatief inclusief de hieraan verbonden risico’s, het voorzien van
mogelijkheden inzake risicospreiding of -dekking, enz. Opnieuw vereist deze
aanpak de nodige leidinggevende capaciteiten - ook staffuncties hebben immers
verantwoordelijkheden t.o.v. een eigen team- én een flinke portie zelfstandigheid.
En opnieuw zal de organisatie het ideale klimaat creëren om deze kwalificaties
maximaal te laten ontplooien waarbij ongetwijfeld de functionele autonomie
opnieuw ter sprake komt. Creativiteit vergt nu eenmaal voldoende bewegingsruimte.
In
de huidige bedrijfseconomische realiteit vervaagt het onderscheid tussen lijn-
en staffuncties meer en meer. De functies waarin bedrijfseconomisten terecht
komen, vormen immers vaak een mengeling van zowel lijn- als
stafverantwoordelijkheden. Lijnfuncties worden evenzeer verondersteld
voldoende, voorbereidend werk of reflectie te voorzien ...waardoor ze ook een
beetje ‘staf’ worden. En staffuncties worden verondersteld evenzeer
beslissingen en acties te ondernemen...waardoor ze ook een beetje ‘lijn’
worden. In dit wijzigend
functielandschap blijft evenwel de functionele autonomie onaangeroerd.
Wat
de gevolgen van dit wijzigende functielandschap ook mogen zijn, een aantal
jobkenmerken veranderen hierdoor niet. Enerzijds kan hierbij gedacht worden aan
de mate waarin bedrijfseconomisten leidinggevende verantwoordelijkheden - van
welke aard ook - zullen blijven opnemen . Concreet komt dit dan neer op een
sturende rol inzake het besluitvormingsproces én een motiverende en coördinerende rol t.a.v. de eigen
medewerkers. Anderzijds dient hier evenzeer gedacht te worden aan de functionele
autonomie. Ook deze zal onaangeroerd blijven.
Het
spreekt uiteraard voor zich dat deze mate van functionele autonomie kan verschillen
alnaargelang het hiërarchisch niveau van de functie in kwestie: hoe hoger in de
functiehiërarchie, hoe meer autonomie. Nochtans dient hierbij onmiddellijk opgemerkt
te worden dat in feite alle leidingevende functies over een ruime mate van autonomie
beschikken of zeker zullen beschikken.
Dit
laatste wordt zeker in de hand gewerkt door enkele nieuwe organisatietrends.
Zo prefereren heel wat organisaties een vervlakking van de eigen
organisatiestructuur, vaak in combinatie met een toenemende decentralisatie. Dit
betekent dat meer medewerkers bedrijfskundige verantwoordelijkheden dragen.
Om
er evenwel voor te zorgen dat het toenemend aantal leidinggevenden deze
verantwoordelijkheden kunnen waarmaken, dienen ze hiervoor de nodige
bewegingsruimte te krijgen. In het verlengde hiervan wordt functionele
autonomie enerzijds en de uitbreiding hiervan anderzijds in heel wat
organisaties ingevoerd.
Ook
tal van HRM tendenzen werken een uitbreiding van de autonomie in de hand. Zo
worden er in het kader van b.v. participatief management, heel wat initiatieven
genomen om de actieve betrokkenheid van de toekomstige besluitvormer te stimuleren.
Concreet kan hierbij gedacht worden aan het ontwikkelen van diverse inspraakprocedures
en bijkomende communicatiekanalen. Ingevolge deze grotere betrokkenheid is er
tegelijkertijd sprake van een grotere verzelfstandiging van de leidinggevende.
Hij/zij krijgt immers bevoegdheden aangereikt om mee -en dus zelf - te beslissen
over wat er precies zal gebeuren in de organisatie én in de eigen afdeling of
dienst. Beleidsbeslissingen worden dus veel minder opgelegd en meer onderhandeld.
Indirect betekent dit dan ook vaak een toegenomen vrijheid én verantwoordelijkheid
van handelen en beslissen... of dus een grotere functionele autonomie.
Maar
er is meer in beweging op het HRM-terrein. Uit diverse studies is gebleken dat
leidinggevenden niet enkel gemotiveerd worden door financiële beloningen, maar
ook door welbepaalde jobkenmerken. Het beschikken over een ruime mate van autonomie
is er zo één van. Gegeven de grote aandacht die organisaties besteden aan het
motivatiegebeuren, opteren heel wat van hen dan ook voor een bewuste autonomie-verruimingspolitiek.
Op
deze manier zou er dan ook algemeen kunnen besloten worden dat bedrijfseconomisten overwegend
terecht komen in functies die doorgaans gekenmerkt worden door een ruime mate
van functionele autonomie. De huidige trends in het bedrijfsleven
zullen dit gegeven enkel versterken.
2.6. Het
ondernemerschap en de ondernemingsgeest
Bedrijfseconomisten zijn ook actief in het opzetten en
runnen van een eigen zaak. Het grote
belang van de KMO-sector voor de Vlaamse economie en de sterke dynamiek die
ervan uitgaat, rechtvaardigen de
aandacht die aan dit aspect in de opleiding wordt besteed. De KMO heeft zich de laatste jaren
immers steeds meer imago van sleutelfactor voor economische heropbloei in
Europa toegeëigend.
Bovendien
is de relatie tussen instellingen van hoger onderwijs en het bedrijfsleven
veranderd en leeft de opvatting dat hogere kwalificaties zullen gevraagd worden
van de toekomstige KMO-bedrijfsleiders/eigenaars.
Afgestudeerden
die opteren voor het zelfstandig ondernemerschap worden gemotiveerd door drie
verschillende carrièrepatronen, namelijk het starten van een eigen zaak (oprichten,
kopen of overnemen), opvolging in de zaak van de ouders of familie of
medewerker worden in een kleine onderneming.
Bovendien hebben de verscherpte concurrentie, de toenemende
mogelijkheden om via nieuwe ontwerp-, productie-, en communicatietechnologie in
te spelen op de specifieke noden van de individuele klanten en de nieuwe
informatiesystemen die een optimale gecombineerde toegang tot de informatie
zowel centraal als decentraal mogelijk maken, XXhebbenXX voor gevolg
dat vele organisaties er in toenemende mate voor opteren om grotere
departementen en divisies op te delen in kleine autonome entiteiten die een
eigen klantengroep bedienen en die beschikken over verregaande
beslissingsbevoegdheid. Afhankelijk van
de omstandigheden wordt gesproken over “process teams”, “business units”… Bedrijfseconomisten worden niet zelden
gevraagd om de leiding van dergelijke autonome eenheden op zich te men en worden daarmee beoordeeld op hun zin
voor ondernemerschap.
Zelfstandig
ondernemerschap vereist een aantal specifieke vaardigheden. Een KMO stelt immers een eigen
managmentproblematiek die niet zonder meer een projectie is van de
managementproblematiek van een grote onderneming. Een KMO is immers geengrote onderneming in
zakformaat. Het is een typisch kenmerk
van KMO-beheer dat de “ondernemer” oog moet hebben voor de interrelatie tussen
de onderscheiden functionele managementgebieden en tevens concreet
verantwoordelijkheid draagt voor het beleid op elk van de gebieden, zonder dat
hij hiervoor kan terugvallen op een uitgebreid gespecialiseerd kader. Vakkennis en bekwaamheid zijn absolute
vereisten om de weg van het ondernemerschap in te slaan. De persoonlijkheid van de ondernemer, zijn
inzet, dynamisme en deskundigheid zijn de bouwstenen voor het succes. De bedrijfseconomist dient beschikken over
een ondernemingsgeest.
Hij
is dus een “ondernemend persoon”
die in sterke mate beschikt over bepaalde
{een definitie onderaan een alinea ? -->(men kan de ondernemer definiëren als…)}
kenmerken
en vaardigheden, namelijk communicatieve vaardigheid, initiatief,
overtuigingskracht, eerder een gemiddeld dan een hoog vermogen om risico’s te
nemen, flexibiliteit, creativiteit, onafhankelijkheid/autonomie,
probleemoplossend vermogen, prestatiedrang, verbeeldingskracht, groot
vertrouwen in de mogelijkheid het eigen lot te bepalen, leidinggevende
capaciteiten, hard werken en informatiegerichtheid.
3.
Maatschappelijke tendenzen relevant voor de bedrijfseconomische beroepencluster
Naast de
permanente, differentiërende kenmerken uit de vorige paragraaf, zijn er ook een
aantal maatschappelijke tendenzen, waarmee de bedrijfseconomist bijzonder
geschikt kan omgaan.
We kunnen daarbij
een onderscheid maken tussen enerzijds een aantal algemene, aan het
bedrijfseconomische exogene tendenzen en anderzijds een aantal in belang meer
beperkte, maar specifiek bedrijfseconomische evoluties. Beide hebben gemeen dat
ze consequenties hebben voor het functioneren in bedrijfseconomische beroepen.
M.a.w., ze veranderen dat functioneren.
3.1. Algemene
maatschappelijke tendenzen
3.1.1. De
internationalisering van de economie
Zowel het aantal
ondernemingen met internationale activiteiten als de lijst van landen waar deze
ondernemingen actief zijn, nemen snel toe. Bovendien verhoogt de intensiteit
van het Europese handels-en investeringsverkeer gestaag en zeker na de
realisatie van de Europese monetaire unie.
De Vlaamse (Europese) bedrijven zullen in de toekomst met grote zorg hun
strategie moeten uitstippelen, willen zij op wereldniveau competitief
blijven. Ten slotte voert ook de
overheid een beleid dat de concurrentiekracht van haar ondernemingen probeert
te ondersteunen.
Deze
internationalisering impliceert dat bedrijven (maar ook de overheid) een sterke
behoefte hebben aan mensen met een praktijkgerichte vorming in en een levendige
interesse voor de internationaliseringsproblematiek van de economie in het
algemeen en van de onderneming in het bijzonder. De bedrijfseconomist bezit
deze vorming.
De
bedrijfseconomist is in staat een efficiënte strategie te ontwikkelen
voor een onderneming met internationale activiteiten. Hij gaat succesvol de confrontatie aan met
problemen zoals : waardoor wordt de locatie van een productieafdeling
gedetermineerd?, hoe kiest een
onderneming tussen een buitenlandse investering en export?, hoe zit de praktijk van de internationale
marketing in elkaar? De bedrijfseconomist is bovendien goed thuis in de
technieken die bij de buitenlandse handelsverrichtingen worden gebruikt : hoe
kunnen de internationale betalingen het best worden afgehandeld?, hoe kunnen wisselkoersrisico’s beperkt
worden?, welke zijn de aandachtspunten
bij het internationale transport en de verzekering van goederen?
De
bedrijfseconomist heeft tevens oog XXhebbenXX voor de macro-economische
omgeving. Bij een investeringsbeslissing speelt het beleid van de buitenlandse
overheid een cruciale rol. Voert deze
overheid een monetair beleid gericht op een stabiele munt? Zijn het fiscaal en sociaal beleid
aantrekkelijk voor de buitenlandse investeringskandidaat? Vormen de (niet)-tarifaire belemmeringen een
struikelblok? Biedt het betrokken land
voldoende groeiopportuniteiten? Deze situaties stellen de bedrijfseconomist
niet voor problemen.
Talloze functies
in even zovele sectoren dragen de internationale dimensie sterk in zich mee :
de exportmanager van een KMO, de trader van een bank, de wisselrisicobeheerder,
de internationale kredietverzekeraar, de parallelimporteur van personenwagens
in de Europese unie, de economist werkzaam op een internationale luchthaven, de
projectbeheerder voor de bouw van een diepzeehaven in Vietnam, de ondernemer
die een joint venture aangaat met een Indonesische partner, enz. – een greep
uit de enorme verscheidenheid aan beroepen die getuigen van een toenemende
internationalisering.
3.1.2. De IT-boom
De
recente ontwikkelingen op het vlak van de informatieverwerking en
communicatietechnologie grijpen diepgaand in op het bedrijfsgebeuren.
Database-systemen zorgen ervoor dat informatie simultaan aanwezig is op zoveel
plaatsen binnen de organisatie als nodig en laten een sterk gedifferentieerd
gebruik van informatie toe in functie van de noden. Expertsystemen laten generalisten werken op
het niveau van experts. Door decision
support systemen kunnen beslissingen naar lagere echelons in de organisatie
worden gebracht. Elektronische
netwerken, met intranet- en/of internettoepassingen vereenvoudigen de interne
en externe communicatie.
Van
een bedrijfseconomist wordt niet verwacht dat hij een doorwinterd expert is
m.b.t. deze toepassingen en systemen. De bedrijfseconomist moet daarentegen een
globaal en gefundeerd overzicht hebben van nieuwe en bestaande technieken op
het gebied van informatietechnologie.
Hij
moet namelijk in eerste instantie in staat zijn kosten-baten afwegingen te
maken m.b.t. de invoering en het onderhoud van informatietechnologie. Dit voor elk ondernemingsniveau en zowel voor
administratieve- als productietoepassingen.
Daarenboven waakt hij mee over een optimale integratie van
informatietechnologie binnen het geheel van de bedrijfsactiviteiten van de
onderneming.
Voor
een gedegen uitoefening van deze verantwoordelijkheden is ten eerste kennis
vereist van de mogelijkheden en beperkingen van informatietechnologie op zich.
Meer concreet kent een bedrijfseconomist de marktsituatie zowel op het gebied
van administratieve als van productietoepassingen. Hij heeft inzicht in de mogelijkheden en beperkingen van
deze toepassingen in de diverse bedrijfsgebieden en kan voor alle
bedrijfsniveaus de invloed inschatten van een implementatie van
informatietechnologie.
Een
bedrijfseconomist is ten tweede vertrouwd met de analyse en opbouw van
gegevensstructuren. Hij heeft een grondige notie van de verschillende fasen bij
het ontwikkelen van computertoepassingen en realiseert zich het belang van het
volgen van een methodologie bij het ontwikkelen ervan.
Dankzij
deze bagage is hij/zij in staat efficiënt te communiceren met
informaticaspecialisten, en daardoor mee te waken over een correcte, efficiënte
en consistente vertaling van de bedrijfs/afdelingsnoden in
informatica-toepassingen.
Bij
het beheren van het informatiegebeuren heeft de bedrijfseconomist ten derde een
bedrijfswijde kijk. Naast een efficiënt
beheer van de informatietechnologie op zich, heeft hij oog voor andere factoren
die het informatiegebeuren beïnvloeden zoals financiële, juridische,
organisatorische en personeelsaspecten.
Daarnaast -en dit
aspect wordt steeds belangrijker gezien de steeds toenemende informatisering
van de maatschappij- is een bedrijfseconomist in staat uit de ‘stortvloed’ van
gegevens de relevante informatie te filteren.
3.1.3. Ethisch
handelen
Bedrijfseconomisten
worden onvermijdelijk geconfronteerd met ethische vragen. Zij moeten creatieve
oplossingen kunnen formuleren die het bedrijfsbelang veilig stellen maar op een
manier die menselijk is en ethisch aanvaardbaar is. Dat het bedrijfsleven
blijkbaar behoorlijk scoort in deze
opdracht kan wellicht afgeleid worden uit het feit dat het aan het soort
globale publieke beschuldigingen ontsnapt dat andere sectoren van de
samenleving treft.
Toch
zijn er ook voor het economische leven nieuwe ethische imperatieven waaraan het
verder tegemoet zal dienen te komen. De moderne samenleving gaat zichzelf
steeds meer spiegelen aan het beeld van een
samenwerkingsverband tussen vrije en redelijke personen. Op steeds meer
terreinen ruimen hiërarchische relaties en bevelstructuren de plaats voor
samenwerking op grond van wederzijds begrip en samenspraak. Conflictsituaties
en onenigheden tussen groepen worden zoveel mogelijk geregeld door middel van
overleg, door te pogen ze om te zetten tot win-win situaties die voor alle
partijen een minimale aanvaardbaarheid bezitten.
Dit
zelfbeeld van een vrijwillig samenwerkingsverband gaat samen met groeiende
ethische gevoeligheden en verwachtingen. Van bedrijfseconomisten wordt in
toenemende mate verwacht dat zij, impliciet of expliciet, de beoefening van de
eigen beroepsactiviteit legitimeren door aan te tonen dat zij wel degelijk een
positieve bijdrage inhoudt tot een groter maatschappelijk welzijn (zie 3.1.4.).
Deze tendens wordt versterkt door een ruim verbreid milieubewustzijn dat elke
individuele burger direct verantwoordelijk maakt voor een belangrijk aspect van
het maatschappelijk welzijn. Tenslotte wordt de samenleving in toenemende mate
geconfronteerd met ethische problemen van zeer uiteenlopende aard, zoals
euthanasie, immigratie, genetische manipulatie, enzovoort, die haar quasi
dwingen tot verregaande ethische reflectie. Dit alles draagt bij tot een
grotere ethische gevoeligheid die haar effecten heeft zowel binnen het bedrijf
zelf als in zijn contacten met de buitenwereld.
3.1.4. Het
groeiend milieubewustzijn
Aan een bedrijf,
en dus ook aan de bedrijfseconomist, worden eisen gesteld vanuit verschillende
hoeken. Klanten willen het beste product
tegen de laagste prijs; de aandeelhouders, eigenaars of financiers willen een
behoorlijk rendement op hun investeringen; werknemers willen betere
arbeidsvoorwaarden of hogere vergoedingen; de overheid wil groei,
werkgelegenheid, toegevoegde waarde en belastingen; de concurrentie wil
marktaandelen, enz.
De laatste
decennia is ook de aandacht groter geworden voor de relatie tussen economische
groei en ontwikkeling enerzijds en de evolutie in de kwaliteit van onze
leefomgeving anderzijds. Ook vanuit dit
perspectief van een groeiend milieubewustzijn worden door belangengroepen,
overheid en consumenten allerlei nieuwe en bijkomende eisen gesteld aan het
bedrijf, de bedrijfsleiding en de bedrijfseconomisten.
De aandacht voor
het milieu als economisch goed, vanuit de tweeledige optiek (als inputfactor
met een positieve kostprijs in het productieproces, of als rechtstreekse factor
en bron van welvaart) heeft een ingrijpende invloed op de bedrijfsvoering, en
de rol en ingesteldheid die vanwege een bedrijfseconomist wordt verwacht. De rol van het milieu moet een onderdeel
vormen van een moderniserings- en aanpassingsproces waarbij milieu-overwegingen
een blijvende aandacht genieten op elk niveau en bij elke beslissing aangaande
productie, organisatie, inkoop, verkoop, kwaliteit, enz. M.a.w., milieu-aspecten dienen te worden
geïntegreerd binnen elk onderdeel en elke stap van het bestaande, 'gewone'
management.
Een moderne
bedrijfseconomist slaagt er daarbij in een passieve, defensieve of re-actieve
houding t.a.v. deze problematiek te overstijgen door milieu-aspecten niet enkel
te interpreteren als bijkomende kosten, of als nadelig voor de marktpositie, of
als administratieve aangelegenheden.
Integendeel, een pro-actieve, offensieve houding t.a.v. de problematiek
kan voor het bedrijf een concurrentievoordeel opleveren. Toekomstige ontwikkelingen die vanuit
milieu-overwegingen te verwachten zijn aangaande regelgeving en overheidstussenkomsten,
marktpotenties, consumentenpreferenties, productieprocessen,
organisatieveranderingen, infrastructuurwerken, investeringen, ... kunnen (en moeten) worden geanticipeerd. De integratie van een dergelijke houding
binnen de gewone bedrijfsvoering, en de daaruitvolgende offensieve
ingesteldheid en handelingsbereidheid, kunnen het bedrijf een strategische
voorsprong bezorgen in vergelijking met de negatieve, defensieve aanpak.
3.2.
Bedrijfsendogene ontwikkelingen
3.2.1. Communicatievaardigheid
Het succes van
een onderneming is in toenemende mate afhankelijk van de manier waarop zij
haar interne en externe communicatie organiseert. De bedrijfseconomische activiteit is immers
onlosmakelijk verbonden met menselijke communicatie. De bedrijfseconomist is communicatievaardig
vanuit diverse invalshoeken: mondeling en schriftelijk, productief en receptief,
al dan niet met behulp van informatica, in de moedertaal en in verschillende
vreemde talen, individueel en in groepsverband.
In een dergelijke
communicatievaardigheid vallen een aantal deelaspecten te
onderscheiden die op zich weer onder te brengen zijn in een 'technisch' en een
'praktisch' luik. Ze vormen samen de
onmisbare basis voor de communicatieve bedrijfseconomist.
Vooreerst valt
een 'technisch' aspect te onderscheiden.
Vertaald naar het omgaan met de moedertaal en met vreemde talen toe,
komt dat neer op een voldoende praktische beheersing van de grammatica en de
woordenschat van de betreffende taal, en op vertrouwdheid met het geheel van
specifiek bedrijfseconomische woorden en uitdrukkingen. Het 'technische'
aspect valt echter ook ruimer op te vatten als het geheel van mechanismen,
redeneertechnieken en afspraken die een cruciale rol spelen in diverse bedrijfscommunicatiesituaties,
hetzij mondeling, zoals in vergaderingen, symposia, speeches (informatief,
persuasief, divertief), hetzij schriftelijk, zoals in brieven, rapporten,
verslagen, artikels en syntheses.[8] Daarnaast vallen ook aspecten als
stembeheersing, intonatie, uitspraak, mimiek, etcetera (mondeling taalgebruik)
en spelling en lay-outbeheersing, zowel manueel als met behulp van informatica
(schriftelijk taalgebruik) onder de noemer 'technisch'.[9]
Een laatste, vaak veronachtzaamd, maar zeker niet minder belangrijk
aspect van het communicatieve proces is het psychologische. Het gaat hier onder meer om non-verbaal
gedrag, feedback, empathie, assertiviteit, zelfkennis, fundamenteel
psychologisch inzicht in het eigen communicatief functioneren en in dat van
anderen. In het bedrijfsleven wordt er
immers niet alleen macht uitgeoefend door hiërarchische positie of door
kennis, maar tevens door de manier van communiceren.[10]
In tegenstelling
tot het eerste aspect, dat eerder passief
is in de zin dat de bedrijfseconomist een aantal technieken en 'voorschriften'
kent en beheerst, valt een tweede aspect te onderscheiden dat actief en creatief genoemd mag worden in die zin dat de bedrijfseconomist
het geheel van geassimileerde kennis ook in de praktijk weet te gebruiken,
met name in allerlei situaties die zich in het bedrijfsleven voordoen, zoals
het houden van (geïmproviseerde of voorbereide) presentaties, voordrachten en
in- en uitleidingen, het leiden van en deelnemen aan vergaderingen en discussies,
het voeren van telefoongesprekken ...[11] Daarnaast verstaat de bedrijfseconomist ook
de kunst om rapporten, brieven, verslagen en beleidsnota's op te stellen die
getuigen van zin voor logica en synthese en geschreven zijn in een zakelijke
taal. De bedrijfseconomist heeft in de
praktijk ook zicht op de psychologische mechanismen die de intermenselijke
communicatieve situaties mede beïnvloeden.
Hij beheerst zijn eigen communicatief gedrag, weet dat van anderen te
begrijpen en te analyseren en is voldoende flexibel om zichzelf en zijn teamgenoten
via de nodige feedback voortdurend tot de nodige aanpassingen te stimuleren.
Het spreekt voor
zich dat wat hierboven enigszins artificieel opgesplitst werd in een aantal
duidelijk onderscheiden aandachtsgebieden, in de praktijk simultaan en in
onderlinge verwevenheid deel uitmaakt van de permanente communicatieve bagage
van de bedrijfseconomist. Het spreekt,
ten slotte, vanzelf dat de bedrijfseconomist niet alleen technische, communicatieve
en psychologische kennis heeft van zijn moedertaal en van de vreemde talen
die in de bedrijfsrealiteit van vandaag en morgen een cruciale rol spelen,
maar eveneens beschikt over een ruime algemene kennis die hem in staat stelt om
gepast de dialoog aan te gaan in de contacten die hij heeft met diverse mensen
met een verschillende academische, professionele of culturele achtergrond.
3.2.2. Klantgerichtheid
De verscherpte concurrentie die mede
wordt veroorzaakt door de steeds toenemende internationalisering van de
economische activiteit en door de recente innovaties op het vlak van de
informatietechnologie, heeft de noodzaak voor een klantengerichte aanpak
nogmaals versterkt. Een klantengerichte aanpak, waarbij zoveel mogelijk wordt
ingespeeld op de specifieke noden van de individuele afnemers wordt de regel.
Daar waar in toenemende mate van alle medewerkers een commerciële houding wordt
verwacht, komt het de bedrijfseconomist toe in dit proces het voortouw te
nemen. Door de principes van het
marketingbeleid te kennen en toe te passen kan hij zo een belangrijke bijdrage
leveren tot de succesvolle uitbouw van de organisatie waartoe hij behoort. Om tot dit resultaat te komen moeten een aantal logische stappen doorlopen worden
die integraal behoren tot het globaal marketingbeleid. Dit beleid kan omschreven worden als het
denkmatig, strategisch en organisatorisch proces waarbij de onderneming
voortdurend nieuwe toegevoegde waarde creëert en deze aanbiedt aan afnemers
zoals consumenten, ondernemingen of instellingen, die hierdoor een maximale
oplossing verkrijgen voor de door hen ervaren behoeften of problemen.
Er zijn talloze definities van het
begrip marketing. Inhoudelijk bestaan er echter weinig verschillen. Zo vertonen de deelfuncties die worden onderscheiden,
hun reden van bestaan en de ermee verbandhoudende activiteiten doorgaans grote
gelijkenissen. Via een functionele analyse van deze marketingactiviteiten wordt
duidelijk over welke specifieke vaardigheden de bedrijfseconomist dient te
beschikken wil hij succesvol bijdragen tot het marketingbeleid van zijn
organisatie.
Klantenbehoeften voortdurend
onderkennen om er op een vooruitziende manier op in te spelen in een dynamische
en dus zich snel wijzigende omgeving, is één van de wezenlijke bewustmakingsprocessen
van het marketingbeleid. Via de beleving van het marketingconcept dat uitgaat
van het axioma dat klantengerichtheid het middelpunt dient te zijn van elke
ondernemingsactiviteit, wordt duidelijk
dat systematisch marktonderzoek noodzakelijk is als regelmatige input in het
marketinginformatiesysteem.
Klantengerichtheid dreigt immers een ijdel woord te worden indien er
onvoldoende informatie bestaat over reële klantenbehoeften of -problemen.
Daarnaast dienen gerichte en geschikte
strategieën te worden ontwikkeld alsmede een geïntegreerd
marketinginstrumentarium, de zogenaamde marketing-mix, waardoor de onderneming
haar aanbod fundamenteel onderscheidt van de concurrenten, en zich zo verzekert
van een blijvende respons van bestaande en potentiële klantengroepen. De bedrijfseconomist moet in deze context in
staat zijn de potentiële vraagpatronen te vertalen in verbruikseisen en
product- en productiekarakteristieken die leiden tot de ontwikkeling van
verkoopbare producten. In de belangrijke fase van de productontwikkeling kan
hij vaak de noodzakelijke brug zijn tussen de eerder technisch gerichte
specialisten van de afdeling R&D en/of productontwikkeling en de
commerciële mensen. Bij de ontwikkeling van de vraagcreatie dient de
ontwikkeling van het product of de
dienst gezien te worden in relatie tot de andere componenten van de
marketing-mix : de communicatie, de distributie en het prijsbeleid. De
bedrijfseconomist moet daartoe beschikken over een degelijk inzicht in de
distributiestructuur in België en in de andere landen waar de onderneming
actief is, of actief wenst te worden.
Hij moet tevens goed op de hoogte zijn van de diverse
communicatie-alternatieven, hun bereik, hun impact en hun kost. Het onderdeel prijszetting vereist een
gecombineerd inzicht in de relevante onderliggende psychologische processen en
de componenten van een rationele kosten/opbrengsten-analyse.
Klantengerichtheid in het kader van een
optimaal marketingbeleid betekent echter veel meer dan het eenmalig aanbieden
van een succesvol product of een prima dienst. Klantengerichtheid dient zich te
vertalen in klantentevredenheid waarbij deze tevredenheid uiteindelijk moet
resulteren in klantentrouw. De bedrijfseconomist zal een bijdrage dienen te
leveren om deze klantentrouw op een zo objectief mogelijke wijze op te volgen
en te kwantificeren. Dit betekent dat hij niet alleen betrokken is bij de
vraagcreatie, maar tevens een belangrijke rol kan spelen bij de verdere
ontwikkeling en bevordering van de vraag. Een goede kennis van het concept van
de productlevenscyclus is hierbij onontbeerlijk. Hierbij komen we automatisch op het domein
van marketingplanning en dit zowel op korte als lange termijn. In een
geïntegreerd marketingbeleid wordt van de bedrijfseconomist verwacht dat hij
via de marketingplanning bijdraagt tot het harmonieus samenleven van de
marketingprioriteiten met de vereisten die gesteld worden door de andere
functionele afdelingen van de onderneming, en die onder meer vertaald worden in
het productiebeleid, het voorraadbeleid, het financieel beleid, het
investeringsbeleid etc.
Het marketingbeleid van elke
onderneming situeert zich in een ruime maatschappelijke omgeving die een aantal
componenten bevat, zoals culturele,
sociale en ethische waardenschalen, het wettelijk referentiekader, de invloed
van de economische conjunctuur e.d., die door het management van de onderneming
niet of nauwelijks kunnen worden beïnvloed.
De bedrijfseconomist kan in dit verband een belangrijke bijdrage leveren
door deze omgevingsfactoren in de tijd op te volgen en te vertalen in
noodzakelijke aanpassingen aan de marketingstrategie. Het is duidelijk dat op dit terrein vlot
voorbeelden kunnen gevonden worden zoals Internet, reclame met kinderen e.d.
Een
belangrijke vaststelling is verder dat klantentevredenheid slechts één zijde
van de médaille is. De ommezijde wordt gevormd door de
ondernemingstevredenheid, hetgeen concreet betekent dat welbepaalde
ondernemingsdoelstellingen dienen bereikt te worden. In vele gevallen betekent
dit winstgevendheid of rentabiliteit. Ook hier kan de bedrijfseconomist, door
de beoordeling van de winstgevendheid van de diverse marketingactiviteiten
vanuit zijn kennis en kunnen rond de bedrijfseconomische calculus, een
belangrijke bijdrage leveren.
3.2.3. Kwaliteitsgerichtheid
Binnen vele
organisaties heeft de toenemende klantgerichtheid zich vertaald in een
vernieuwende aanpak van het kwaliteitsvraagstuk. In de breedste zin verwijst
kwaliteitsgerichtheid naar de kenmerken die de fundamentele aard van iets (een
product of een dienst) uitmaken. Sommige
kenmerken, zoals de verwachte levensduur en de betrouwbaarheid, zijn moeilijker
te definiëren, te meten en te controleren.
Het concept van kwaliteit is dus niet unidimensionaal, maar complex.
Kwaliteit betreft
meerdere kenmerken die elk cruciaal kunnen zijn in bijzondere
omstandigheden. De bedoelde kenmerken
zijn: de prestaties en de betrouwbaarheid van het product; de overeenkomst met
productspecificaties; de duurzaamheid, nuttigheid en schoonheid van het
product; de prijs van het product. Deze
kenmerken zijn de elementen van waarde die de onderneming levert aan haar
klant. En het is uiteindelijk de klant
die kwaliteit beoordeelt: “quality is in the eye of the beholder”.
Het
kwaliteitsprobleem kan niet in stukjes worden aangepakt, maar vraagt een totale
systeembenadering. Het goed beheersen
van kwaliteit vereist aandacht voor de implicaties inzake kwaliteit van elke
beslissing op elk stadium van de productontwikkelingscyclus, van het ontwerp
tot de verkoop. Daarom hebben
organisaties gestreefd naar het bereiken en aanhouden van kwaliteit op een meer
uitgebreide, geïntegreerde manier.
Integrale
kwaliteitszorg (IKZ) is in essentie een managementfilosofie die excellent
ondernemerschap nastreeft door een proces van constante verbetering. Het is dus heel wat meer dan enkel een
techniek om de kwaliteit van een product te verbeteren. Integrale kwaliteit omvat naast de kwaliteit
van de processen en producten, ook het inspelen op de noden van de klant, het
motiveren van mensen, en het optimaal benutten van de beschikbare grondstoffen
om de strategie en de doelstellingen van de organisatie te bereiken.
Met deze nieuwe
geïntegreerde benadering is de bedrijfseconomist vertrouwd. Kwaliteit, kwaliteitscertificatie, integrale
kwaliteitszorg en kwaliteitsmanagement behoren tot het vakjargon van managers
en bedrijfseconomisten.
3.2.4. Leren
leren
Het
dagelijks leven confronteert de mens in toenemende mate met vernieuwingen. Taak en taakinhouden van diverse beroepen veranderen
voortdurend. Ook het beroepenveld,
waarop het onderwijs voorbereidt, verandert met hoge snelheid: dagelijks komen
er allerlei nieuwe beroepen bij op diverse terreinen. Uiteraard verandert ook de kennis die nodig
is om te kunnen functioneren in het beroep en de samenleving.
Nieuwe
organisaties zijn gebaseerd op kennis.
Dit betekent dat ze zijn ontworpen om ideeën en informatie te
behandelen. In op kennis gebaseerde
organisaties moet elke medewerker voortdurend leren en in staat zijn de
problemen in zijn activiteitengebied te identificeren en op te lossen. In deze
nieuwe situatie bestaat de verantwoordelijkheid van het management erin de
organisatorische leercapaciteit te scheppen.
In vele sectoren kan de bekwaamheid om te leren en sneller te veranderen
dan de concurrenten het enige houdbare concurrentieel voordeel zijn. Derhalve herontwerpen vele ondernemingen zich
tot een “lerende organisatie”.
De
lerende organisatie is een organisatie die leert en die leren bij haar
werknemers aanmoedigt. Het is een
organisatie die het leren van al haar leden vergemakkelijkt en zichzelf
voortdurend transformeert. Deze
organisatie heeft de bekwaamheid om zelf-reflectief te zijn, heeft een vlotte
communicatie tussen functies en niveaus, en kan snel reageren op veranderende
klantenvereisten. Eigenlijk zijn alle
organisaties lerende systemen. Alle
organisaties hebben immers formele en informele processen en structuren voor de
verwerving, de verdeling en het gebruik van kennis en vaardigheden.
De
kern van het concept van een lerende organisatie is het geloof dat er een enorm
potentieel opgesloten zit in organisaties.
Wanneer alle leden van een organisatie hun essentiële menselijke
capaciteiten volledig ontwikkelen en oefenen, zal de resulterende congruentie tussen
persoonlijke en organisatorische visies en doeleinden dit potentieel vrij
maken. Een voorwaarde is wel dat de
lerende organisatie is samengesteld uit personen die kritisch en creatief
denken en rekening houden met alle factoren die betrokken zijn bij het
begrijpen van een onderwerp. De
bedrijfseconomist voldoet aan deze voorwaarde.
Zijn brede, algemeen economische, bedrijfseconomische en juridische
vorming biedt hem voldoende basis om te leren en zich verder te ontwikkelen. De
bedrijfseconomist ontwerpt mede de toekomst veeleer dan er zich louter aan aan
te passen.
F.
Carrijn, Handelshogeschool Antwerpen
D.
De Ceulaer, EHSAL
P.
Jolie, VLEKHO
F.
Naert, Hogeschool Gent
[1] De opsomming van concrete
toepassingsgebieden beoogt geen volledigheid maar dient louter om de
diversiteit van het toepassingsgebied van het “economisch principe” te schetsen
in een steeds wijzigende bedrijfscontext.
[2]
Cf. onder meer D. KEUNING en D.J. EPPINK, Management en organisatie - Theorie en toepassing. Leiden/Antwerpen, Stenfert Kroese uitgevers,
1990.
[3]
Cf. onder meer M. HAMMER en J. CHAMPY, Reengineering the corporation - A manifesto for business revolution.
[4] S. GHOSHAL en C.A. BARTLETT, Changing the role of top management : beyond structure to processes. Harvard Business Review, Januari-February 1995
[5] Cf. onder meer R.N. ANTHONY en V.
GOVINDARAJAN, Management control systems.
[7] R.S. KAPLAN en D.P. NORTON, Using the balanced scorecard as a strategic
management system. Harvard business review, January-February 1996.
[8] Cf.
onder meer Dr. Stijn VERREPT Communicatiegids voor managers. Strategieën en vaardigheden.
Utrecht/Antwerpen - Houten/Diegem, Kosmos-Z&K Uitgevers - Bohn Stafleu Van
Loghum, 1997; en voor ver uitgewerkte toepassingsdomeinen de bijdragen aan
Intern/Extern. Het integreren van
communicatie in bedrijven, organisaties en instellingen. Joop ROOMER & Cyriel van TILBORGH (Red.),
Deventer, Kluwer Bedrijfswetenschappen, losbladig, sinds 1992.
[9] Cf. onder meer C.J.J. KORSWAGEN, Mondelinge communicatie. Groningen,
Tjeenk Willink, 1982 (2 delen).
[10] D. COLEMAN, Emotionele intelligentie: emoties als sleutelrol tot succes.
Amsterdam./Antwerpen, Contact, 1996.
[11] Cf.
onder meer D. BLOCH, Praktijk Dossier Presenteren. Alphen aan den Rijn/ Zaventem, Samsom
BedrijfsInformatie, 1995 en J.L. WAGE Verkoopactief spreken. 20 vragen en antwoorden. Deventer, Kluwer Bedrijfswetenschappen, 1997