Hfdst. 2:
Doelstellingen van een les(senreeks) bepalen
1 Inleiding
Didactiek =
systematische opleiding en vorming; planning van belang
Begin=
doelstellingen
Soorten doelen
(grote indeling):
Algemeen en
concreet: algemeen, leerplandoel, leerdoel, zie boek p. 36
Open en gesloten
Kennis, inzicht,
toepassen
Cognitief,
psychomotorisch en affectief
Maatschappij +
evoluties in de maatschappij + onderwijsfilosofie à
Algemene
doelstellingen in
° opvoedingsproject,
voorbeelden in boek p. 34
° studiegebied
° vakgebied
Vakken,
leergebieden, thema’s, voorbeelden in boek p. 35
les
belang:
° informeren over
bekwaamheden
° basis voor
oefenmateriaal
° basis voor
toetsen
° rapportering
naar de leerling
2 Persoonlijkheid:
moet harmonisch zijn
Voorbeelden zie
boek, p. 37
Cognitief: denkactiviteiten
Dynamisch-affectief: drijfkrachten (belangstelling, interesse,
houding, behoefte) en gevoelens
Samenspel
gevoelens en dynamismen: gevoelens gevolg van al dan niet vervuld worden van
dynamisme
Motorisch: motorische (grove en fijne motoriek) en
lichamelijke vaardigheden
Drie aspecten niet
te scheiden maar wel te onderscheiden, zie boek p. 39.
3 Doelstellingen
formuleren
- meer
productgericht
- operationeel
omschreven
- beheersing nodig
in functie van open doelstellingen
Voorbeelden:
° De leerling moet
een gegeven belastingformulier kunnen invullen.
° De leerling moet
een telefoongesprek kunnen voeren.
° De leerling moet
ten minste vier verschillen kunnen noemen tussen aandelen en obligaties.
° De leerling
moet, gegeven een doe-het-zelf dieetgids, de totale hoeveelheid vitaminen en
mineralen analyseren door berekening.
Wanneer sprake van
gesloten doelstellingen?
Twee axioma’s:
- leerlinggedrag
- infinitief
(onderscheid met toetsvraag bij evaluatie)
Vier criteria:
- operationele
handeling (waarneembaar gedrag), lijst in boek p.41
- concrete inhoud
- condities
Welke hulpmiddelen zijn al dan niet beschikbaar?
Hoe wordt het leerdoel gemeten?
-
minimumprestatie:
Tijdslimiet of snelheid
Aantal of percentage correcte antwoorden
Graad van nauwkeurigheid
Juiste volgorde van aantal stappen
Zie boek p. 47
- meer
procesgericht
- beschrijving van
ontmoeting, situatie, probleem
- slechts algemeen
idee van wat men hoopt te bereiken
- hogere
denkniveau’s
- resultaat mag
van leerling tot leerling verschillen
Zie boek p. 48
- open
doelstellingen met aantal actiepunten of vereisten
4 Doelstellingen klasseren
Taxonomie van Ramiszowski
Voorbeeld: Weten
wie er president van Frankrijk is. Weten hoe laat de les start.
Begrippen: concrete, abstracte begrippen
Voorbeeld: Een
omschrijving kunnen geven van het begrip democratie. Kunnen aangeven waarin
gewervelde en ongewervelde dieren zich van elkaar onderscheiden. Het
onderscheid zien tussen een kat en een tijger.
Voorbeeld: De weg
in Antwerpen uitleggen aan een vreemdeling. De procedure omschrijven die bij de
deliberatie wordt gevolgd.
Principes: wetten, regels
Voorbeeld: Uit
vijf voorbeelden van concrete doelstellingen de principes voor het formuleren
van concrete doelen afleiden. Bevestigende zinnen kunnen omzetten in
ontkennende. Gedurende een kwartier een les kunnen geven over een bepaald
onderwerp.
Geheugen:
herkennen,
herinneren
feiten, procedures
Voorbeeld: Een
melodie herkennen. Een naam herinneren.
Inzicht:
omzetten,
interpreteren, voorspellen
begrippen,
principes
Voorbeeld: Gegevens
uit een tabel omzetten naar een grafiek. Ontbrekende en/of overtollige gegevens
in een vraagstuk over oppervlakteberekening identificeren. Op grond van een
grafiek van de staalproductie van de laatste vijf jaar kunnen voorspellen welke
productie er vijf jaar later zal zijn.
Voorbeeld: Een
vraagstuk over oppervlakteberekening kunnen oplossen, d.w.z. de weg naar de
oplossing uitstippelen en toepassen. Toepassen van gegeven spellingregels in
analoge oefeningen.
Voorbeeld: Aan de
hand van enkele gegevens zelf een vraagstuk over oppervlakteberekening
opstellen. Een planning voor een actie ontwerpen.
Voorbeeld:
Tabellen kunnen lezen. Een telefoon bedienen in een telefooncel. Een vertaling
maken van een eenvoudige tekst.
Analyse (deductie: standpunt bepalen, inductie:
standpunt afleiden)
Voorbeeld: Het
standpunt van een politicus samenvatten na zijn betoog. Uit een aantal getoonde
lesfragmenten (voorbeelden) de regels voor goed en minder goed lesgeven
afleiden.
Synthese (creatief denken)
Voorbeeld: Een
eindverhandeling schrijven. Voorspellen wat er zou gebeuren als er geen school
zou bestaan.
Evaluatie (kritisch denken)
Voorbeeld: Het
gedrag van de hoofdpersoon in een toneelstuk vanuit bepaalde criteria
beoordelen. Een gemotiveerde keuze maken uit een aantal stripverhalen. Een
mening geven over het stakingsrecht van leerkrachten.
Voorbeeld: Typen.
Zwemmen. Bij een natuurwandeling op verschillende manieren behendigheid tonen
bij het passeren van hindernissen (grachten, afspanningen…).
Voorbeeld :
Vreemde woorden verklanken.
Voorbeeld:
Nauwkeurig een cirkelvorm knippen uit een stuk papier.
Voorbeeld: Bloemstukken maken.
Voorbeeld:
Strategisch voetbalspel. De opslag bij het volleybalspel correct uitvoeren.
Voorbeeld: Op
muziekinstrumenten nieuwe stukken kunnen spelen.
Voorbeeld: Een
bepaalde kledij dragen omdat de mode dat voorschrijft.
De verkeersregels
volgen omdat ze zo zijn voorgeschreven. Ernaar verlangen leraar te worden omdat
je vader leraar is. Graag lange haren dragen om te gelijken op een idool.
Productief:
eigen waardesysteem
Voorbeeld: Een vak
studeren niet om een herexamen te vermijden maar omdat je dat zinvol vindt.
Luisteren naar collega’s niet uit plicht maar omdat je dat een goede
communicatie vindt. Spontaan waardering tonen voor het vrijwilligerswerk in
onze samenleving.
5 Basis- en
uitbreidingsdoelstellingen
Product of procesmodel? (zie hfdst. 1)
Productmodel à Basisdoelstellingen – minimale doelstellingen –
kerndoelstellingen – gemeenschappelijke doelstellingen – communale
doelstellingen ; Eindtermen; Taxonomie: kennis en eenvoudige vaardigheden;
Minimale inhoud?
Procesmodel à Uitbreidingsdoelstellingen – differentiële
doelstellingen – extra-doelstellingen – verrijkingsdoelstellingen
Verbredingsdoelstellingen:
uitbreiding met nieuwe begrippen en inhouden
Verdiepingsdoelstellingen:
complexiteit van verwerking binnen dezelfde leerinhouden vergroten (voorbeelden
in boek p. 65-66)
Opgaven
1 Volgende
doelstellingen noteerden we uit het klasboek van leerkrachten. In welke
formulering is het best omschreven wat de leerlingen moeten kunnen doen?
Eerste reeks:
-
De
klinkers a en o.
-
In
gegeven woorden de klinkers a en o onderstrepen.
-
De
klinkers a en o behandelen.
-
De
klinkers a en o uit de leesles.
Tweede reeks:
-
Begrijpen
van de leesles.
-
Het
meervoud van zelfstandige naamwoorden op –heid correct schrijven.
-
ee op
het einde van een woord.
-
Zelfbedachte
woorden met o en oo rangschikken in de juiste rij.
-
Nieuwe
zinnen aanbrengen.
2 Rangschik
volgende doelstellingen van algemeen naar concreet, de meest algemene bovenaan
en de meest concrete onderaan.
-
Zich
schriftelijk uitdrukken.
-
Bij
twee gegeven zinnen van een dialoog over het onderwerp ‘Naar de boerderij’ er
minstens vier bijschrijven in dialoogvorm.
-
In
communicatie treden met anderen.
-
Een
dialoog schrijven.
3 Welke van
onderstaande uitspraken zijn al of niet in termen van waarneembaar gedrag
geformuleerd?
-
De wet
van Ohm kennen.
-
Weten
uit welke delen een microscoop bestaat.
-
Vier
veiligheidsmaatregelen in het werkhuis kunnen noemen.
-
De
regel van drie kunen toepassen.
-
De
interest van een kapitaal kunnen berekenen.
-
De wet
van Archimedes begrijpen.
-
Informatiebronnen
kunnen gebruiken.
-
Het
begrip osmose kunnen omschrijven.
4 Duid bij elk van
onderstaande uitspraken aan of het gaat om :
een meer algemene
doelstelling, een leerdoelstelling, geen doelstelling.
- Jeugdigen moeten
zich interesseren voor wat er omgaat in hun leefmilieu.
- In de volgende
les zal de leraar de bewaringsmethoden voor volgende voedingsproducten
bespreken: vis, melk.
- De kenmerken van
het begrip ‘perspectief’ in eigen woorden kunnen weergeven.
- Open staan voor
een ander.
- Trek de
vierkantswortel uit het getal 117,42.
- De volgende
leereenheid zal de basisbegrippen van grondwettelijk recht behandelen.
- De economische
kringloop begrijpen.
- Formuleer drie
verschillen tussen een cheque en een overschrijving.
- De leraar
behandelt het begrip ‘arbeidsfactor’.
- Vijf werken van
Hugo Claus kennen.
- In staat zijn
een broodrooster te repareren.
- De grondregels
van de logica begrijpen.
5 Zijn volgende
doelstellingen open of gesloten doelen?
- Een
documentatiemap aanleggen over Afrika.
- Een standpunt
innemen over de acties van Greenpeace.
- Op een blinde
kaart van België de Maas aanduiden.
- Een opstel maken
over je prettigste vakantiebelevenis.
- Een gedicht
volledig uit het hoofd kennen.
- De
vierkantswortel uit 20.736 trekken.
6 Welk van
volgende criteria voor het formuleren van leerdoelen zijn in onderstaande
leerdoelen aanwezig: handeling; inhoud; condities; minimumprestatie?
- Het onderscheid
kunnen maken tussen aftrekbare en verschuldigde BTW aan de hand van een
voorbeeld.
- Drie
tewerkstellingsmaatregelen kunnen opsommen met een korte beschrijving van hun
inhoud.
- De verschillende
onderdelen van de BTW-aangifte kunnen aanduiden aan de hand van het formulier.
- De
werkloosheidsgraad kunnen berekenen gegeven de beroepsbevolking en het aantal
werklozen van een bepaald jaar.
- 200 meter crawl
kunnen zwemmen binnen de 10 minuten.
- Ten minste 5 van
de 8 nieuwe woorden die in de context van een lopende tekst voorkomen kunnen
vertalen.
- Na lezing van
het eerste hoofdstuk uit de leergang didactiek uit het hoofd vijf vaktermen en
hun betekenis kunnen neerschrijven.
- De centrale
gedachte uit een gegeven tekst mondeling kunnen weergeven.
- In de
‘Woordenlijst der Nederlandse taal’ het geslacht van gegeven zelfstandige
naamwoorden kunnen opzoeken. Criterium: 8/10.
- De
klimaatverschijnselen van een land dat niet expliciet werd bestudeerd, kunnen
verklaren aan de hand van klimatologische kaarten.
- Gegeven een
vergelijking van één onbekende deze kunnen oplossen zonder gebruik te maken van
tabellen.
- De stelling van
Pythagoras in een formule kunnen opschrijven.
- Het onderscheid
tussen de begrippen opvoedkunde, onderwijskunde en didactiek kunnen uitleggen.
- Afstanden en
vlakken uit de werkelijkheid op een gegeven schaal kunnen tekenen. De schaal
wordt eenvoudig gehouden: 1/2; 1/10, 1/20, 1/50, 1/100, 1/1000.
7 Schrijf onder
elke doelstelling op kennisniveau een doelstelling die vraagt dat de leerling
deze kennis zou kunnen toepassen in plaats van enkel te memoriseren.
- De stappen voor
het bedienen van een telefoon kunnen reproduceren.
- Een definitie
van volgende begrippen kunnen geven: cognitief, affectief, motorisch.
- Tenminste vijf
van de verschillende kenmerken van het impressionisme kunnen geven.
- De (soorten)
graden brandwonden kunnen opnoemen.
- De voordelen
kunnen noemen van het gebruik van de computer.
- De drie stappen
kunnen noemen om een gegeven boek in de bibliotheek te lokaliseren.
- De vier criteria
om leerdoelen te formuleren kunnen opnoemen.
- Volgende termen
kunnen definiëren: democratie, totalitarisme, anarchie.
- Kunnen
opschrijven hoe men een belastingsformulier moet invullen.
- De
risicofactoren bij brandwonden kunnen opnoemen.
8 Geef van
volgende activiteiten aan of het voornamelijk gaat om volgende doelen:
cognitieve, affectieve of motorische.
- Een tekst kunnen
vertalen.
- Schoenveters
strikken.
- Maatregelen
voorstellen om veiliger met een papiersnijmachine te werken.
- Bij het
instuderen van een cursus spontaan ook de voetnoten lezen.
- Met behulp van
een gegeven tabel de interest van een spaarboekje kunnen berekenen tot twee
cijfers na de komma.
- Het koopgedrag
van een cliënt kunnen beïnvloeden tijdens een verkoopgesprek.
- Geregeld en
voedingsmiddelentabel raadplegen.
- Bij het
instuderen van een tekst de hoofdgedachten met een lineaal onderstrepen.
- Rapporten tijdig
inleveren.
- Bereid zijn een
medeleerling te helpen bij een moeilijke wiskundetaak.
9 ‘Johan is
student aan de universiteit en volgt daar het tweede jaar Rechten. Bij de
aanvang van het academiejaar maakt hij een raming van zijn studiekosten. Het
jaar is bijna afgelopen en hij wil weten of hij zijn budget wel of niet heeft
overschreden. Jij wil hem daarbij helpen. Dit zijn de gegevens.’
Raming begin
academiejaar in
euro
Inschrijving,
collegegeld, examengeld 300
Kamerhuur 1000
Voeding,
verplaatsing,
Medische zorgen en
ontspanning 1250
Feitelijke
onkosten in
euro
Voeding 800
Verplaatsing 300
Ontspanning 250
Inschrijving 25
Collegegeld 250
Examengeld 25
Kamerhuur 900
Hieronder staan
een aantal vragen die een leerkracht aan zijn klas zou kunnen stellen over
bovenstaande tekst. Kies om te antwoorden uit
- geheugenvraag
- of inzichtsvraag
- of
toepassingsvraag
-
Waarover
gaat dit probleem?
-
Welke
studierichting volgt Johan?
-
Hoeveel
betaalde Johan voor zijn voeding tijdens het academiejaar?
-
Hoe
groot zijn de feitelijke uitgaven van Johan?
-
Heeft
Johan zijn budget overschreden en indien ja, hoeveel?
-
Waaraan
werden de feitelijke onkosten besteed?
-
Leg
uit wat budgetteren is.
-
Hoeveel
kostte de kamerhuur minder dan gepland?
10 Classificeer
onderstaande doelstellingen in
a. geheugenkennis c.3 routinematig motorisch toepassen
b. inzichtelijke kennis d.1 productief cognitief toepassen
c.1 routinematig
cognitief toepass. d.2 productief
affectief toepassen
c.2 routinematig
affectief toepass. d.3 productief
motorisch toepassen
- De definitie van
het begrip ‘ecologie’ kunnen omschrijven.
- Een zelf
gevonden voorbeeld van ‘cynisme’ kunnen geven.
- Het huiswerk
inleveren als erom gevraagd wordt.
- Een ontwikkeling
in de juiste volgorde kunnen plaatsen bv. pop, ei, larve.
- Met interesse
luisteren naar de spreker.
- Bij een gegeven
plan een voortuin kunnen aanleggen.
- De resultaten
van een intelligentietest van een kind kunnen vertalen in een voor de ouders
verstaanbare taal.
- Een dagtrip naar
Brussel kunnen uitstippelen in het teken van de art nouveau.
- Een droge witte
wijn van een zoete witte wijn kunnen onderscheiden wat kleur, geur en smaak
betreft.
- Op grond van een
situatieanalyse van een hotelkeuken, maatregelen voor kwaliteitsverbetering
kunnen voorstellen.
- Een verdraagzame
houding aannemen tegenover verschillende soorten muziek.
- Een weercurve
kunnen lezen.
- Op grond van
inkomsten/uitgaven de winst of het verlies kunnen reproduceren.
- Kunstmatige
beademing kunnen uitvoeren op het slachtoffer.
- De kleurkeuze
van een schilderij naar eigen smaak beoordelen.
- Een ontwerp van
een damesjurk maken.
- Een origineel
winterlandschap schilderen.
- Spaanse woorden
kunnen verklanken.
- Getallen met
elkaar kunnen vermenigvuldigen.
- De juiste
oplossingsmethode kunnen kiezen om een opgave op te lossen.
- Een injectie
kunnen toedienen.
- De gedachten of
gevoelens vinden die in een gedicht uitgedrukt staan.
- Een les over een
gegeven onderwerp kunnen voorbereiden.
- Op tijd op
school zijn omdat het reglement dit vereist.