Algemene didactiek

Hfdst. 3: De beginsituatie bepalen

 

Overzicht

 

1 Algemeen

 

Beginsituatie= geheel van persoonlijke, sociale en situationele gegevens in verband met de te realiseren doelstellingen van invloed op het verloop en de resultaten van onderwijsleerprocessen

 

Aard van de beginsituatie

Intene voorwaarden i.v.m. de leerling en leergroep

Externe voorwaarden i.v.m. de organisatie van het onderwijs

 

Wijze waarop de beginvoorwaarden worden aangewend:

Productgericht houding: plaatsingsprobleem

Procesgerichte houding: gericht op verandering

 

2 In productonderwijs: Veldloopmodel

 

Schoolsucces voorspellen

Invloed van intelligentie

- Ieder individu vaste onveranderbare aanleg: kwantatieve betekenis; normale curve.

- Verschillen in begaafdheid leiden tot verschillen in leerresultaten.

- Schoolloopbaan van leerling vroegtijdig voorspeld.

 

Bezwaren:

- Samenhang tussen intelligentiescores en schoolse prestaties niet zo groot.

- Productmeting is te kwantitatief.

- Te veel accent op verworven kennis.

- Te veel klemtoon op onveranderlijkheid van persoonlijkheidskenmerken.

- Leerling te veel en onderwijs te weinig verantwoordelijk gesteld voor slagen of falen.

 

Gescheiden onderwijs organiseren:

(1) Interscolaire differentiatie

(2) Interklassikale differentiatie: permanente selectie; klassikaal onderwijs; relatieve beoordeling, klemtoon op cognitieve doelen

- homogene klassen (streaming)

- niveaugroepen per vak (setting)

- gematigd homogene groepen

(3) Interne of binnenklasdifferentiatie

Bedenkingen:

Men heeft effecten van groeperingsvormen onderzocht en men streeft meer en meer naar heterogene klassen mits een aantal voorwaarden.

 

3 In procesonderwijs: Expeditiemodel

 

Veranderbare leerlingkenmerken

 

(1) Voorkennis

 

Geheel van feiten, begrippen, principes en procedures waarover een leerling reeds beschikt bij aanvang van onderwijsleersituatie (= domeinspecifieke kennis of vakinhoudelijke kennis)

 

Verband tussen voorkennis en intelligentie

 

Verschillen in voorkennis

 

Diagnose van de voorkennis

 

(2) Leerstijl

 

Wijze waarop de leerling zich de leerstof eigen maakt; leergewoonten en gedragsneigingen

 

- Cognitieve verwerkingsstrategieën = leeractiviteiten

 

- Regulatiestrategieën = metacognitieve vaardigheden = sturende activiteiten

 

- Studieopvattingen m.b.t. eigen leren

 

- Studiemotieven

 

Vier leerstijlen:

- reproductiegericht

- betekenisgericht

- toepassingsgericht

- ongericht

 

Bedenkingen:

- Leerstijlen in hoger en secundair onderwijs.

- Leerstijl veranderbaar.

- Bepaalde leerstijl hoogwaardiger.

- Inrichting van het onderwijs bevordert of verhindert leerstijl.

- Leerstijlen hangen samen met andere persoonlijkheidskenmerken.

 

 

 

 


 

(3) Metacognitieve kennis, opvattingen en vaardigheden

Kennis = bewustzijn over de eigen studie-aanpak

 

Opvattingen

over intelligentie

over leren

over onderwijzen

 

Vaardigheden = eigen leerprocessen kunnen reguleren

 

(4) Affectieve leerlingkenmerken

 

Affectieve verwerkingsactiviteiten

 

Motivatie: taakgericht of prestatiegericht

 

Zelfbeeld

- Geloof in eigen kunnen

- Attributieprocessen

 

Zelfvertrouwen

 

Comprehensief onderwijs organiseren

 

Algemene onderwijsstructuur

- Brede basisvorming

- Selectiearme basisvorming

- Maatschappelijk geïntegreerde basisvorming

 

Organisatiestructuur van scholen en scholengemeenschappen

- Samenwerkingsverbanden tussen scholen

- Organisatie binnen een school

 

Klas- en lesorganisatie

- Selectiearm onderwijs

- Individueel gericht onderwijs

- Begeleidende evaluatie

- Individualisering en socialisering

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 

Opgaven

 

1 Hebben volgende uitspraken volgens jou te maken met een productgerichte leerlingopvatting of met een procesgerichte leerlingopvatting?

- Intelligentie is voor ontwikkeling vatbaar.

- Het komt erop aan de spreiding tussen leerprestaties te verminderen

- Volgens de leraar is Jan een zwakke leerling die het best zo vlug mogelijk overschakelt naar een minder zware studierichting.

- In oktober behaalde An 45 % voor wiskunde. De leraar helpt haar via een aantal remedieertaken.

-Ludo is een onderpresteerder. Daar is weinig aan te doen aangezien hij te weinig gemotiveerd is.

- Toelatingsproeven dienen om leerlingen beter te kunnen selecteren.

- Het helpen overwinnen van faalangst is een belangrijke pedagogisch- didactische opgave voor de leraar.

- Leerlingen met een hoge verbale intelligentie zijn het best gediend met een verbale presentatie van de leerstof.

- Slagen of falen van de leerling hangt in grote mate van hemzelf af.

- Voor wiskunde en taalvakken worden vaak niveaugroepen georganiseerd.

 

2 Welke van de vier leerstijlcomponenten komen in onderstaande situaties ter sprake?

Verwerking

Sturing

Studieopvattingen

Studiemotieven

 

- Ben wil later dierenarts worden.

- Gijs steekt veel tijd in het instuderen en herhalen van de leerstof.

- Suzanne houdt niet van theoretische beschouwingen. Zij verwacht dat de leraar zoveel mogelijk praktische toepassingen aanleert.

- Wanneer Piet studeert controleert hij geregeld of hij de leerstof heeft begrepen.

 

3 Met welke van de vier leerstijlen hebben onderstaande situaties of uitspraken te maken?

Reproductiegerichte leerstijl

Betekenisgerichte leerstijl

Toepassingsgerichte leerstijl

Ongerichte leerstijl

 

- Karin is bezorgd over haar studieaanpak. Wanneer zij een cursus instudeert, vindt zij alles even belangrijk en besteedt zij overal evenveel aandacht en tijd aan.

- An besteedt veel tijd aan het selecteren van de in haar ogen belangrijke leerstof. Zij onderstreept in haar teksten welke onderdelen zij uit het hoofd moet kennen voor het examen.

- Marc heeft weinig oog voor details maar wil vooral de hoofdlijnen en kerngedachten beet hebben.

- Bernard is er vooral op gericht zich te bekwamen in zijn toekomstig beroep.

 

 

4 Causale attributiedimensies : Vul het juiste in bij de puntjes.

 

………………..

 

………………..

 

………………..

 

………………..l

 

………………..

 

………………..

 

algemene inzet

 

“Ik kan me niet lang genoeg concentreren op Franse teksten.”

 

geleverde inspanning

 

“Ik heb te weinig tijd om me voor te bereiden.”

 

docent oordeel

 

“De docent denkt al vanaf het begin dat ik geen aanleg heb voor Frans.”

 

hulp van anderen

 

“Mijn moeder zou me helpen bij de voorbereiding van het proefwerk maar ze was ziek.”

 

aanleg

 

“Ik heb vanaf het begin al weinig van Frans terecht gebracht.”

 

stemming

 

“Ik had gewoon geen zin om me in te zetten.  Ik had een rotdag.”

 

vakinhoud

 

“Frans is een moeilijk vak en het proefwerk was extra moeilijk.”

 

toeval

 

“Ik kon van waar ik zat de cassetterecorder bijna niet horen.”

 

Bron: De Corte E. e.a. (1999) Algemene didactiek. Leuven, Acco.

 

5 Motivatie.

- Waarom zijn leerlingen gedemotiveerd?

        Oorzaken gelegen binnen de maatschappij.

        Oorzaken gelegen binnen het gezin.

        Oorzaken gelegen binnen de school.

        Oorzaken gelegen binnen het kind zelf.

- Welk zijn de uiteenlopende uitingen of symptomen van demotivatie?

- Hoe kunnen we de motivatie van leerlingen bevorderen in het onderwijs?

        Op macroniveau.

        Op mesoniveau.

Op microniveau.