Componenten van het didactisch model in product- en procesmodel

 

Productmodel                                              Procesmodel

 

Doelstellingen

 

 

Beginsituatie:

leerlingkenmerken

 

 

Groeperingsvormen

van leerlingen:

differentiatie

 

 

Leerstof

 

 

Werkvormen

 

 

Lesorganisatie

 

 

Leraar: stijl

 

 

Leren

 

 

Onderwijsleermiddelen

 

 

Evaluatie

 

 

Directief-sturende leraarsstijl – begeleidend-banende leraarsstijl/ receptief-ontvangend leren – actief-onderzoekend leren/ kwantitatieve meting (toetsen) – kwalitatieve meting (observatie)/ hulpmiddelen door de leerkracht gehanteerd – hulpmiddelen door de leerling gehanteerd/ homogene groepen – heterogene groepen/ indeling in lesuren – indeling in blokken of modules/ boekenkennis – in context leren/ klassikale methoden – meer individueel gerichte methoden/  externe evaluatie – zelfevaluatie/ leerkrachtafhankelijk leren – leerkrachtonafhankelijk leren/ gesloten, operationele doelen – open vormingsdoelen/ onveranderbare leerlingkenmerken – leerlingkenmerken zijn voor verandering vatbaar/ vast leerprogramma – flexibel leerprogramma/ leerstof staat centraal – leerstof is middel/ beoordelen is vergelijken – beoordelen is ondersteunen/ lesgevende leerkracht – begeleidende leerkracht/ permanente selectie – evaluatie is om te helpen/ gerichtheid op vakkennis - gerichtheid op leren leren/ verschillen worden geweerd – leren werken met verschillen

 

 

 

 

 

Fasen van het didactisch proces in product- en procesmodel

 

Productmodel                                              Procesmodel

 

1 Introductiefasefase

 

 

-Motiveren

 

-Informatie over doelen

 

-Voorkennis bijstellen

 

 

 

2 Leerfase

 

 

-Presentatie

 

-Verwerking

 

-Proces bewaken

 

 

 

3 Controlefase

 

 

-Toetsen

 

-Diagnosticeren

 

-Feedback

 

 

4 Differentiatiefase

 

-Bijsturen

 

 

 

 

feedback op verloop leerproces en aanwijzingen voor verbetering in de toekomst geven – eigen aanpak met die van anderen laten vergelijken/ toetsen geven – toetsvragen laten bedenken en beantwoorden/ leerstof aanbieden en uitleggen, verduidelijken – vragen en opdrachten geven/ voorkennis vaststellen – voorkennis activeren)/ herhalen van de leerstof – verwerkingsopdrachten geven/ interesse wekken – persoonlijke verantwoordelijkheid geven/ extra uitleg geven, studeeraanwijzingen, opgaven verschaffen – aanmoedigen zelf oplossingen te zoeken bij moeilijkheden/ aard en oorzaken van leerproblemen laten onderzoeken – laten uitdrukken wat niet wordt begrepen, mogelijke oorzaken van onbegrip laten formuleren/ leerdoelen meedelen – keuzevrijheid geven bij de leerdoelen/ observeren en vragen stellen – vragen laten stellen, opdrachten in groepjes waardoor men elkaars proces bewaakt/